In de negentiende eeuw maakten de elektriciteitsleer en de optica grote sprongen voorwaarts. Heel verschillende verschijnselen als de regenboog en de werking van een kompas bleken zelfs in één theorie te passen. Maar ook in het praktische werk waren er belangrijke ontwikkelingen. Nieuwe instrumenten werden bedacht, en bestaande verbeterd. En gaandeweg drongen optica en elektriciteit ook steeds verder door in het dagelijks leven. Denk maar aan de telegraaf en het fototoestel. Nederlanders hebben aan deze ontwikkelingen weinig bijgedragen. Wel volgde men de ontwikkelingen met grote belangstelling. De natuurwetenschappen waren ongekend populair. In het hele land verenigden burgers zich in genootschappen. Ze schreven wetenschappelijke prijsvragen uit, organiseerden lezingen en experimenteerden in groepsverband. Het was allemaal goed bedoeld, maar tot grensverleggend onderzoek kwam het niet.